Festina Amsterdam (1)

Pachters: een unieke groep in een lastige positie

Verenigingen die een echte pachter hebben, weten het maar al te goed. Hij of zij is onderdeel van de vereniging, voor vrijwel iedereen een bekend gezicht een bovendien een heel zichtbaar figuur voor mensen die het park voor de eerste keer bezoeken. Zo’n 200 tennis- en padelverenigingen hebben momenteel een pachter die zelf de horecagelegenheid op het park uitbaat. Net als veel horecaondernemers hebben pachters het moeilijk in deze tijd, nu zij vanwege de coronamaatregelen de deuren gesloten moeten houden. Bovendien weten veel pachters niet precies waar ze aan toe zijn, want moeten ze nu tot de horeca of de sportkantines worden gerekend en welke regels, richtlijnen en steunmaatregelen gelden dan voor hen? Veel pachters hebben het gevoel tussen de wal en het schip te zijn beland.

“Pachters zorgen voor sport hospitality”, stelt Bart van Bergen, zelf onder de naam Mucho Gusto pachter bij LTC Festina in Amsterdam. Daarnaast draagt hij met een heel nieuw team de zorg voor de sport hospitality Op ALTC Aemstelburgh.

“Wij pachters zijn echt een heel specifieke groep, want anders dan andere horeca zijn wij onlosmakelijk verbonden met de vereniging. We kennen vrijwel alle leden, we zijn er eigenlijk altijd. En wat wij ondernemen en organiseren, is vrijwel altijd in het belang van de vereniging. Wat wij doen is echt een belangrijk onderdeel van de tennisbeleving op de club.” Dus is het van belang dat ook pachters deze crisis overleven, wil Van Bergen maar zeggen. “Wij behoren natuurlijk tot heel veel ondernemers die in deze crisis zijn geraakt, ik wil ook zeker geen klaagzang houden. Maar pachters vormen een unieke groep die in de huidige situatie heel beperkt op hulp en ondersteuning kan rekenen. Dat wil ik graag uitleggen.”

Geen kantine, maar ondernemer

Veel tennis- en padelverenigingen voelen de financiële pijn van de coronacrisis in het clubhuis, in de baromzet, terwijl veel vaste lasten gewoon doorlopen. De mooie, zomerse dagen, zeker tijdens de competitie en toernooien, zijn de dagen waarop flinke omzet wordt gedraaid en in 2020 gingen door de coronamaatregelen veel van die dagen verloren. Voor pachters geldt in grote lijnen hetzelfde, de meesten hebben net als verenigingen met een eigen kantine een zogenoemde para-commerciële horecavergunning. Dat houdt in dat een horecagelegenheid alleen sportgerelateerd open mag zijn, de horeca-activiteiten staan als het ware in dienst van de sport, in dit geval tennis en padel. Dat veel pachters weliswaar net als veel kantines een para-commerciële vergunning hebben, maar verder een volledig andere positie innemen, bepleitte Van Bergen bij de gemeente in een poging alsnog open te mogen.

Het standpunt bleef echter dat alle kantines met een para-commerciële vergunning dicht bleven, ook toen de horeca open mocht. Een kantine met vrijwilligers of een pachter, de gemeente maakte geen onderscheid. “Pachters met een ‘gewone’ commerciële horecavergunning mochten echter wel tegelijk met de horeca open, vanaf 1 juni. Eind september volgde de tweede lockdown en moesten alle horecagelegenheden op verenigingen dicht, ongeacht het soort vergunning. Pas twee weken daarna ging de commerciële horeca dicht. In mijn geval zaten de competitieteams bij de buren tien meter verderop aan de koffie. Vreemd was ook dat waar het de reguliere horeca was toegestaan met een To Go-principe producten verkopen, sportkantines dat absoluut niet mochten. Het was haast niet meer te volgen. Dit laatste besluit is later overigens teruggedraaid, nadat we het onder de aandacht hadden gebracht in gemeenteraad.”

5 van de 8 maanden dicht

Ondernemer of niet, toen de sportkantines dicht gingen, moest ook Van Bergen de deuren van zijn ondernemingen dus sluiten. “Vergelijk je de totale periode dat wij dicht moesten met de reguliere horeca, dan zijn de meeste pachters zes weken langer dicht geweest. Na de eerste lockdown mocht de horeca op 1 juni weer open, maar de meeste clubhuizen konden pas op 1 juli weer beginnen. En de tweede keer dat de maatregelen werden verscherpt, moest ik samen met de clubhuizen op 1 oktober dicht, terwijl de horeca dat op 14 oktober dicht ging. Van de acht maanden waarin ik mijn geld moet verdienen, ben ik er vijf dicht geweest. Ik durf wel te zeggen dat de gemiddelde pachter daardoor in 2020 zeker 30 tot 50 procent van de omzet is misgelopen. Dat komt met name doordat er geen Voorjaarscompetitie was en voor velen ook geen open toernooi. Dat hakt er behoorlijk in.

Beperkte financiële steun

De pijn van de coronamaatregelen werd in vele branches enigszins verzacht door steunmaatregelen, zo ook in de sport. Pachters zitten in dat opzicht echter in heel moeilijke positie, weet Van Bergen. Hij kon in het voorjaar via de TOGS-regeling (Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19) een eenmalige tegemoetkoming van 4.000 euro aanvragen, maar daarna werd het lastig. Veel sportverenigingen konden bij omzetverlies van ten minste 20 procent ten opzichte van het vorige jaar, een beroep doen op de TASO-regeling, de tegemoetkoming amateursportorganisaties COVID-19. “Als pachter profiteer ik daar echter niet van”, aldus Van Bergen. “Ik word direct getroffen door het sluiten van clubhuizen van sportverenigingen, maar als ondernemer kan ik de TASO-regeling niet aanvragen, zo werd mij nog een keer uitgelegd toen ik de situatie duidelijk maakte bij het ministerie van VWS.”

Veel ondernemingen hebben in deze coronacrisis tevens gebruik kunnen maken van de NOW-regeling, waarmee loonkosten konden worden doorbetaald. Ook dat is echter voor de meeste pachters geen optie, om het simpele feit dat veel pachters geen mensen in dienst hebben. “Ook als ze op drukke momenten meer mensen hebben rondlopen, zijn het op papier vaak gewoon eenmanszaken”, zegt Van Bergen. Zelf heeft hij een aantal mensen voor zich werken, op basis van een 0-uren contract. En enkelen daarvan, die toegezegd hebben zich volledig in te zetten voor de onderneming in deze periode, betaalt hij door. ”Maar over het algemeen heb je het echt over eenmansbedrijven die ook nog eens in een betrekkelijk korte periode hun jaarinkomen moeten verdienen. Ga er maar vanuit dat dat inkomen in 2020 zo ongeveer is gehalveerd.”

Meer begrip

Zoals gezegd, Van Bergen wil niet alleen maar klagen. Het gaat hem vooral om grotere bewustwording omtrent de moeilijke positie waarin veel pachters verkeren. Het is ook zeker niet zo dat verenigingen daar geen oog voor hebben, benadrukt hij met klem. “Uiteindelijk is bij mij door de verenigingen de huur kwijtgescholden en dat scheelt heel veel natuurlijk, dat besef ik goed. En zo zijn er zeker meer mooie verhalen. Ik ken ook een vereniging die de pachter de huur heeft kwijtgescholden én in de periode dat de deuren gesloten waren, de pachter in dienst heeft genomen als manager corona. Dan heb je wel gegarandeerd een bepaald maandsalaris.”

Met het oog op de toekomst hoopt Van Bergen vooral dat meer begrip voor de situatie van pachters leidt tot meer gerichte ondersteuning. “Het zou geweldig zijn als bepaalde regelingen zo kunnen worden toegepast, dat ze ook ons iets meer opties bieden, waardoor we niet net overal buiten vallen. Als we dat kunnen bereiken, ben ik al heel blij.”